Mei 1996. Douane van het station in Grodno, Wit Rusland.
Rustig, maar o zo secuur glijden de handen van de douane-beambte door alle spullen in mijn geopende koffer. Haar gezicht is koud en strak. Plots staken de handen, blijven stil.
"Alles er uit", commandeert ze. Ik probeer nette stapeltjes te maken op de tafel, zodat het zaakje er straks weer allemaal in kan. Al gauw wordt het verdachte voorwerp zichtbaar: een schilderijtje met een natuurtafereeltje, bomen, water, lucht. Voorzichtig wordt het uit de koffer getild en op tafel gelegd. Ze buigt dubbel en begint te turen. Dan wordt er een mannelijke collega bijgeroepen en buigen ze samen dubbel en turen. Minuten lang. Zou het een icoon zijn die naar het buitenland gesmokkeld wordt? Nee......duidelijk niet. Zou het dan een werk zijn van een beroemde Russische schilder dat veel geld kan opleveren? Eindelijk wordt besloten dat het maar een gewoon schilderijtje is. Dat had ik ze ook direct kunnen vertellen. Toen ik thuis bij Larissa bezig was mijn koffertje voor de terugreis in te pakken, liep Larissa onrustig rond, mompelend: "wat kan ik haar nou nog meer meegeven, wat heb ik nog...." Toen liep ze naar de muur, haalde dit schilderijtje er af en stopte het in mijn koffer. Ik kon hoog en laag springen, maar het móest mee.
Ik pak mijn koffer weer in en sluit hem. Héhé¨, dat is dat. Ik kan verder. Dacht ik.
"Open maken", blaft de vrouw, en wijst op mijn handtas. Ik rits de 2 vakken open. In het ene vak bungelt, als een soort sleutelhanger, een knalrose plastic hart aan het trekkertje van een rits van een binnenzakje.
Dat had Larissa me ook nog toegestopt. "Dat is alvast voor je verjaardag, maar je mag het pas in Polen open maken". In het andere vak zitten 8 brieven, mee gekregen voor vrienden in Holland.
"Open maken", zegt ze weer. Onbenullig kijk ik haar aan. Ik heb de tas toch al open gemaakt? "Open maken!", ze wijst naar de brieven. Ja maar, dat zijn geen brieven voor mij, dat is privé. Er wordt een mesje gehaald en ik moet ze open snijden. Er is één brief bij met een uitpuilende bobbel. Toevallig weet ik wat daar in zit. Met een gezicht van 'ha, nu héb ik je' haalt ze de brief er uit en een kaartje met 2 kinder oorbelletjes. Opnieuw gaat het verdachte stuk op tafel. Nu wordt er een vrouwelijke collega bij gehaald. Ze liggen bijna helemaal dubbel met de neuzen op het corpus delictum. En turen. En delibereren. Na ongeveer 10 minuten besluiten ze dat het toch geen goud of zilver of iets waardevols is. Geen wonder, we hebben ze zelf op de markt gekocht! Nu mag ik wél door. Ik draai me om naar Larissa, die al die tijd bij de ingang van de hal is blijven staan en zich duidelijk schaamt voor de hele gang van zaken. Ik maak een gebaar van omhel-zen en zoenen en moet dan gaan. Ik loop het perron op naar mijn wagon en geef mijn ticket aan de man die verantwoor-delijk is voor deze wagon. Op mijn ticket staat een grote D. Dat betekent dat hij mij een damescoupé moet geven. Hij geeft me een nummer en ik wurm me met mijn bagage door het smalle pad langs de coupé's en de mensen die er in rond hangen. Het is ontzettend vol en warm. De deurtjes van de coupé's staan open en een benauwde walm stroomt het gangetje in. Dit is een slaaptrein die uit St. Petersburg komt, 1200 km hier vandaan. Het eindpunt is Berlijn. Ik vind mijn coupé en wordt hartelijk verwelkomd door ..... 3 mannen! Er zijn 4 bedden, 2 beneden, 2 boven. Mijn bed is rechts boven. Onder mij 'woont' een man uit Odessa. Ik schat hem op 35 jaar en 120 kilo. Hij zit in zijn hemd te zweten en koekjes te eten. Gelukkig dat hij niet boven mij slaapt! Aan de andere kant zitten 2 jonge mannen, een Duitse student en een Russische jongen. De man uit Odessa gooit met gemak mijn koffer in de ruimte boven, naast mijn bed en biedt me een stapel koekjes aan. Dat gaat gezellig worden.
Plotseling voel ik me ontzettend moe. Ik ga languit, ogen dicht en luister half naar het gebabbel onder mij. Het is naar de grens met Polen maar 25-30 km, maar de trein stopt veel en op een gegeven moment moeten we allemaal de trein uit. Er komen mensen, sommige met honden, de hele trein inspec-teren. Nou had ik al op het papiertje dat je moet invullen, aangegeven dat ik 'nee, geen vuurwapens bij me heb, of drugs, of verrijkt uranium of Russisch goud of...'. Eindelijk zit ik weer op bed en rijden we Polen binnen. Ha! Nu mag ik dat hart open maken. Ik haal de twee helften van elkaar. Er zit een prop watten in en ik pulk die open en.... Nee! Larissa! In mijn hand ligt een ring, van Russisch goud en een steen van amethist!

Ik ben sprakeloos en de tranen schieten in mijn ogen. Ik word van binnen helemaal warm van ontroering. Ik zie duidelijk dat de ring gedragen is. Een persoonlijk, waardevol bezit, zomaar weggegeven. Verpakt in een rose, plastic kinderspeeltje, het hart van Larissa, waar de douanebeambte geen oog voor had!
Ik droeg nooit ringen, alleen mijn trouwring. Maar sinds die mei 1996 draag ik die ring áltijd, ook op dit moment. Je begrijpt dat deze ring, naast de echt grote geldwaarde, nog veel meer een enorme emotionele waarde heeft.